HERINNERINGEN AAN VUGHT

1921 -1934

"Juf, Juf". Ja, Thieu, wat is er?" vroeg juffrouw Niessen van de eerste klas. "Ik ga in de vacantie naar Vught". "Oh" was het lauwe antwoord. Ik had wat meer enthousiasme verwacht. Daarom ging ik verder: "Ik ga naar mijn oom; die is directeur van een fabriek". Dat maakte toch wel indruk; het is ook niet niks zo'n oom te hebben.
 Bij het uitbreken van de grote vacantie pakte mijn moeder de koffers met kleren die ertegen konden en we gingen op reis. Eerst met de tram naar het station Hollandse Spoor, kaartje kopen, bij de ingang naar de perrons kaartje laten knippen door de controleur en dan de trap op naar het perron richting Rotterdam. Af en toe ging ik kijken of de trein al aankwam. Dat mocht wel, als ik maar niet te dicht langs de kant ging staan; dan zouden de vreselijkste dingen kunnen gebeuren, zoals in die afgrond storten juist als de trein binnenkwam.
Plotseling was het hele perron gevuld met locomotief, die dreunend, stomend en rokend tot stilstand kwam. Even plotseling verschenen er spoorwegmensen: de conducteur die luidkeels riep dat we in Den Haag waren (dat wist ik al) en dat de trein naar Delft, Rotterdam en nog veel verder zou gaan. Alle mensen holden heen en weer om een zo leeg mogelijke coupé te vinden. Nadat iedereen was ingestapt en de deuren met een klap waren dichtgeslagen, kwam er een indrukwekkende figuur in uniform die op een fluitje blies en een pannekoek omhoogstak. Dat was het sein voor de machinist (wat was die man zwart) het teken, dat hij kon vertrekken. Een gil van de stoomfluit, de stoomschuif open en dan waren we op weg naar Den Bosch. Het was een reis met veel stopplaatsen (een boemeltje). Maar eindelijk waren we toch in Den Bosch.

 

En daar stond Marie, enthousiast, uitbundig en hartelijk, maar de reis was nog niet ten einde. Eerst moest je nog met een tram mee en wat voor een; een paardetram!  Een eind voorbij het Halfje kwam je in de Taalstraat.

 

Daar stond ie dan, de fabriek. Van de straat af zag je alleen maar het grote ijzeren hek met aan weerskanten wat kleinere deuren. Maar het huis zag je in zijn volle lengte. Een grote deur ongeveer in het midden, met ijzeren ornamenten, de hal in en de trap op. Boven kwam je uit op een gang die aan weerszijden almaar doorliep. Aan het einde van de gang links kwam je in de huiskamer, huiszaal kun je wel zeggen. Daar ontmoette ik oom Jan, goedlachs en een kaal hoofd net als mijn vader. Verder tante Anna, klein en liggend op de divan bij het raam en Marie den Otter, het meisje voor dag en nacht.

Taalstraat vught

 

Marie vroeg of ik zin had mee te gaan naar de tuin. Nou, dat had ik. Gang uit naar links en dan kwam je in een grote vierkante ruim terecht. Maar een uitgang naar buiten zag ik niet; wel een zo te zien doelloos hekje in de hoek.  Marie stevende op dat hek af en tot mijn stomme verbazing tilde zij een stuk vloer omhoog. Daaronder lag de trap! Dan kwam je eerst in een tuin waar kippen rondscharrelden. Linker pootje krab, krab, rechter pootje krap, krab en dan weer pikken naar een of ander zaadje. Die kippen mochten wel eieren leggen maar ze niet uitbroeden zonder toestemming van Marie. Deden ze dat toch dan werden ze in een mand gestopt en die mand werd dan ergens opgehangen. Na een paar dagen waren ze die malle kuren dan wel weer kwijt en mochten ze weer vrij rondlopen.

Rare wezens die kippen; ze maken soms zo’n klagelijk geluid alsof de dies irae nabij was en zij niet wisten of zij die dag wel zouden overleven. Maar als ze een ei gelegd hadden lieten zij dat luid kakelend aan iedereen weten. Tussen die kippen liep ook een haan, dat is een mannetjeskip. Zo’n haan heeft er een dagtaak aan de baas te spelen over al die kippen. Hij maakt ook een heel ander geluid; hij kraait. Ik wist natuurlijk wel dat hanen kraaiden uit het verhaal over Petrus, maar wat voor geluid dat was, wist ik niet. Zijn kop gaat dan telkens een beetje verder omhoog dan iets naar achteren en dan plotseling een luid uh,uhuh, uuuhhh. En toen wist ik het ook!
Waar was ik ook alweer mee bezig? Oh, ja, de moestuin.
Rechts van de kippetuin was via een opstapje de toegang naar de fabriek. Wat een ruimte! Overal stonden machines en werkbanken. In het midden was een brug en op die brug was nog een apparaat bevestigd dat met een ketting heen en weer kon worden bewogen. Helemaal achterin de fabriekshal was de machinekamer met een grote stoommachine, glimmend als een spiegel. Dat was het werk van meneer Bergman, een zwijgzame goedhartige man die alles kon en alles deed. Schuin naar rechts kwam je bij een grote schuifdeur; daarin was een kleinere deur, waardoor je naar buiten kon (wel je voeten goed optillen). Links en rechts fabriekshallen. Daar liep ook de spoorbaan. Halverwege was een plateau dat met een hendel bewogen kon worden naar een dwarsbaan. Dat was wel zwaar werk. Aan het einde van de weg was er weer een poort en dan kwam je bij een grasveld waarop het wasgoed in de zon kon bleken. Weer een hekje door en dan stond je in de moestuin. Allerlei soorten groenten, fruitbomen, bessen, meloenen, aardappelen en ga zo maar door. Vooral de peren trokken mijn aandacht; ze waren zo groot. Nou ik mocht er een plukken van Marie. Maar dat viel niet mee; dat ding wou maar niet loslaten. Na veel geruk, lukte het me toch, ik liet hem aan Marie zien, die gelijk in de lach schoot. Ik had een stoofpeer geplukt (roodkokend) zo hard als een bikkel. Zij heeft toen zelf maar een goede uitgezocht. Marie had een eigen bloementuin, kleine witte bloemetjes, dalia's, rozen en slaapmutsjes, die waren zo leuk: Ze hadden een mutsje op en als je dat mutsje wegtrok, kwam er een prachtig oranje bloemetje tevoorschijn.
Dan weer terug naar huis. Wat was daar nog meer? Oh, ja, er was gaslicht: dat moest je met een lucifer aansteken. En in de huiskamer hing naast de lamp een snoer met een drukbel. Als je daarop  drukte, kwam Marie den Otter vragen wat ze moest doen. Na het avondeten pakte oom Jan de sigarenkist, nam daar heel voorzichtig een sigaar uit, sneed het puntje eraf, wreef de sigaar al snuivend langs zijn neus en stak hem dan aan. Je kon dan zien dat hij vrede had met de hele wereld te beginnen met zichzelf. En dan was het bedtijd. Mijn slaapkamer was een met een halfhoog houten wand afgeschoten ruimte van een veel grotere kamer, waarin je heerlijk kon slapen. En dat deed ik dan ook.
Iets verder in de Taalstraat woonde de familie Rijsloo. Daar gingen we ook kennis maken. Oom Jan zeer bedachtzaam, af en toe een weloverwogen grapje, nadenkend over elke beweging, heel zorgvuldig een pijp rokend. Tante Marie, dik, bedrijvig, vriendelijk en hoestend. Dan hadden we Jo die "op studie" was: Nel, niet van deze wereld; Floor een robuuste knaap met een windbuks en Zus, die inmiddels een meer bij haar lengte passende naam heeft uitgekozen, maar toen al kon praten alsof haar leven ervan afhing. En vaak zegt ze nog zinnige dingen ook!
Je kon op twee manieren in het huis van de Rijsloo's komen: door de voortuin, afgezet met een hek met ijzeren tierelantijnen en langs een sleuf aan de zijkant. Dan kwam je via de achtertuin, een hele diepe, en via de schuur in de keuken, waar een echte pomp stond met een zwengel. Het water uit die pomp was veel lekkerder, dan uit de kraan, vond ik.
Aan de voorkant was de huiskamer, dan een trap naar de slaapkamers en aan de achterkant de salon, waar je alleen maar voorzichtig kon schrijden; iedere plotselinge beweging kon fataal zijn voor de vele mooie spulletjes die daar stonden.
Terug in het huis van oom Jan; daar viel ook nog wat te ontdekken. Op de gang kwamen een hele reeks kamers uit. Naast de huiskamer de slaapkamer van oom en tante; daar kwamen we ‘s morgens wel eens als we in de nacht weer eens door horden muggen waren aangevallen. Tante Anna had een probaat middel tegen de jeuk. Verder waren er logeerkamers, de kamer van Marie en helemaal aan het eind de salon, waarin je alleen maar met gepaste eerbied kon rondlopen. Aan de kop van de gang was de WC: daarin stond een grote waterkan. Een halve per "grote" was voldoende. Als je het ongeluk had dat je laatste beetje water moest gebruiken, dan moest je de kan weer gaan vullen; en dat was me een wandeling!  Geen wonder dat oom Govert volgens de verhalen z'n hoed opzette en z'n wandelstok meenam als hij van de huiskamer naar het toilet ging.
Aan het andere eind van de gang waren nog twee achter elkaar liggende ruimten en rechts was de keuken; vandaar kon je op het balkon komen, waar een grote wasketel stond. Keuken en balkon stonden volledig in de schaduw van de boom in de kippetuin. In de keuken ging het werk van de beide Marie’s tot 's-avonds laat door. Bakken vol boontjes werden afgehaald, gesneden of gebroken (al naar gelang het soort) in weckflessen gestopt en gekookt.
Vught was een plaats waar je hele stammen familieleden ontmoette. Daar had je Jot, een vrolijke knaap, vol streken en met een onuitputtelijk arsenaal van spelletjes. Iemand die je in het huidige jargon de informele leider zou noemen. Jan, wat teruggetrokken, een doorzetter; Nell, warmhartig, romantisch; Jet met haar grote ogen; Floor en Tonny, maar die ken de ik al langer. Dat waren met Zus wel de hoofdpersonen in het jaarlijkse vacantiefestijn.
Het eerste wat we deden, was een grote kuil graven in de kippetuin. Met wat stokken, waar over een paar gordijnen (geschenk van Marie) werd het een beschut terrein voor spelletjes. Land veroveren ging ook heel goed in de tuin. Van Jot heb ik nooit kunnen winnen. Ik verdenk hem ervan dat hij tijdens het spel de regels verzon die hem het beste uitkwamen.
Soms gingen we naar de hei. Maar dan moest het wel goed weer zijn. Marie had bepaald dat de tocht alleen maar doorging als er minstens zoveel blauw aan de hemel te zien was dat er een hemmetje uitkon. Over de omvang van dat hemd verschilden we diepgaand van mening met Marie. Wij vonden ons eigen hemd aan blauw al meer dan genoeg, maar Marie had kennelijk het hemd van tante Marie Rijsloo op het oog en dat scheelde nog al wat! Een ander probleem was dat ik geen badpak had om in de vennen te duiken. Maar dat probleem was binnen een half uur door Marie opgelost (door wie anders!). Een lapje, wat spelden een schaar en een naaimachine en het badpak was klaar. En dan gingen we luid zingend langs de spoorbaan de hei op. Vlinders, bijen, de warmte van de zon en de heitakjes langs je benen gaven je het gevoel te leven in een gelukkige wereld. Onder de bezielende leiding van onze koordirigente Marie zongen we fraaie liederen zoals "dat gaat naar Den Bosch toe" en een lied met een merkwaardig refrein "ik ben verliefd maar ik weet niet op wie". Volgens onze groot-ogige Jet ging dat voor mij niet op, want ik was, zei ze, verliefd op Nell. Groot gelach rondom en het was nog waar ook; ik vond het maar jammer dat ze familie van me was, zodat ik niet met haar kon trouwen!
Meestal vermaakten we ons in de fabriek. Onder het woonhuis was het kantoor. Op een aantal bureau's stonden nog telefoontoestellen, waarvan we druk gebruik maakten. Die dingen werkten wel niet meer, maar als je hard genoeg praatte kon je elkaar toch heel aardig verstaan. het schaftlokaal lag aan de overkant. Op de muren stonden fraaie spreuken die we zo luid mogelijk opdreunden. En dat galmde zo mooi. In dat lokaal zongen we ook onze liederen. Een van de mooiste was van een klein vogelijn dat op groene tak een lustig lied zong. Het refrein was “Oh zeg ons, zeg ons aardig beest, wie toch uw meester is geweest" (bis). Na herhaald aandringen gaf het beestje eindelijk antwoord en dat antwoord stemde overeen met onze diepste religieuze gevoelens, zodat we elkaar met grote tevredenheid aankeken.
Tegenover het schaftlokaal zagen we meneer Bergman eens bezig in een put. Het bleek de beerput te zijn die hij leegschepte om het spul te gebruiken als mest in de moestuin. Volstrekt onverklaarbaar was dat Jot feilloos zijn drollen aan kon wijzen.
In de fabriekshal, rechtsachter, stonden nog een aantal karretjes op rails. Op weg daar heen gingen we wel eens op de weegbrug tussen de spoorbaan staan, maar al stonden we er met zijn allen op, de weegschaal bewoog niet. Dus maar weer verder. Aan het einde van de rails met de wagentjes lag een hoge berg met fijn zand. De meisjes gingen in het wagentje zitten en wij jongens duwden het karretje zo hard mogelijk vooruit. Halverwege de rit sprongen wij er ook op en dan maar wachten op de klap van de botsing met de zandberg. Een vermoeiende bezigheid.
Dus terug naar de hal met de kippetuin, waar nog een rijtuig stond. Zittend op de bok en in de wagen vertelden wij elkaar verhaaltjes. Jot bestond het om midden in mijn verhaal te vragen of ik het niet kon onderverdelen in hoofdstukken; dat vond hij kennelijk overzichtelijker! Hoe verzint iemand zoiets!

Soms werden er ook onderwerpen aangesneden die je in het gezelschap van grote mensen niet kon bespreken, zoals de poepjes die onze respectievelijke vaders konden laten. Dat waren trouwens geen poepjes meer dat waren regelrechte scheten, die donderslagen nabij kwamen. Mijn bijdrage was een rijmelarijtje, dat mijn vader en zijn knechten wel eens in de bakkerij opzegden. Twee regels waren: "til op dat been, daar gaat er een". Dat is trouwens een goede raad gebleken; het vergemakkelijkt de zaak zeer.

Dan was het tijd om eens te gaan schommelen aan de ketting van de loopbrug of om verstoppertje te spelen. Soms deed Marie mee om aanwijzingen te geven. Zij had kennelijk een goed gevoel voor camouflagetechnieken. Ik had eens een trui aan van een beige-bruine kleur. Ik moest van Marie op de bank gaan liggen; een zak over mijn benen, kop wat ingetrokken, handen op mijn buik en dan maar afwachten. Veel vertrouwen had ik er niet in, maar tot mijn stomme verbazing werd ik niet gevonden. Zelfs neergehurkt in een hoek was ik onvindbaar.
Maar het was niet altijd koek en ei. Soms maakten we ruzie. Als we zo stom waren die ruzie in de kippetuin uit te vechten, kwam Marie naar buiten stuiven (hemel, wat kon ze kwaad zijn!). We werden dan allemaal in een hoek gezet; die had ze voor het uitzoeken. Maar dat duurde nooit lang. Na korte tijd wisten wij niet meer waarover de ruzie was en streek Marie haar hand over naar hart, zodat we verder konden gaan.
Zo tegen vijven was het tijd voor de wasbeurt. Ergens uit een bovenraam naast de kamer van Marie den Otter gooide Marie een handdoek naar beneden met een stuk zeep erin. In de fabriek stond een emmer en in de hoek was een kraan. Emmer vol laten lopen en dan kwam eerst de ceremonie om je kop helemaal in de emmer met water te stoppen. Jot ging voor, dus wij konden niet achterblijven. Daarna naar boven en eten. Daarna was er nog tijd om wat te lezen. Ik heb met veel plezier het boek van een amerikaanse jezuit gelezen over de belevenissen van jongens op een kostschool. Tom Jee en Percy Wynn waren de hoofdpersonen. Zaterdag was er in de plaats van de emmer de grote wasbeurt. In de ruimte voor de mangelkamer stond een teil vol dampend water en dan maar boenen; en er was wat af te boenen na een week van buiten ravotten. Na het afdrogen, schone kleren aan en dan naar de kamer waar oom en tante ons verwonderd aankeken vanwege de metamorfose!

Zondag was het rustdag. ‘s-morgens naar de kerk met wat centen voor het collectezakje. Oom Jan droeg in de kerk een zijden kalotje, Dat mocht! Na de kerk naar huis om te eten en dan de plechtigheid van het wegen. Wij met zijn allen naar de fabriek, waar een weegschaal stond. Die had de eigenschap, dat een ons aan de ene kant een kilo aan de andere kant werd. Ons gewicht werd nauwkeurig genoteerd en vergeleken met de uitkomsten van de vorige week. Iedere week bleken we weer te zijn aangekomen. Vooral voor ons, haagse bleekneusjes, was dat een teken, dat we weer goed waren bijgespijkerd. Na terugkeer thuis mopperde moeder altijd dat de kleren weer zo gekrompen waren "natuurlijk weer te heet gewassen". Zij heeft kennelijk nooit gedacht aan de mogelijkheid dat we groter gegroeid waren. Er was toen ook nog geen King Korn.

Het verblijf in Brabant betekende ook de kennismaking met een ander taalgebruik en een andere uitspraak. Ze hadden het bijv. over een “schoen meske”. Het koste mij al enige moeite om te ontdekken, dat een “meske” een meisje was, maar dan snapte ik nog niet wat er zo bijzonder was aan een meisje dat niet vuil was. Het meest befaamd is het verhaal over de haan. We stonden op het sprinkhanenveldje, toen we hoorden kraaien. Ik zei tegen Jot "dat is een haan". Jot keek mij niet begrijpend aan en zei "dat is nen aon". Dat kon ik niet op me laten zitten. Niet alleen dat hij de a helemaal verkeerd uitsprak, daar kwam nog bij het irritante weglaten van de h.
Toch was dat niet het gevolg van een spraakgebrek, want hij sprak de h wel uit waar in de verste verte geen h thuishoorde. Dat moest nu maar eens veranderen. Ik zei dus “nee Jot, dat is een haan". Ik sprak het zo netjes uit dat het meer op haen leek. Maar Jot volhardde in zijn gebrekkige uitspraak. Gelukkig kwam oom Jan aan en ik vroeg hem "is het nu een haan of een ….aon”. (ik kon het nauwelijks nadoen). Tja daar stond oom Jan: twee neefjes die hem allebei even lief waren en die hij geen van beiden voor het hoofd wilde stoten. En toe zei hij “ ‘n aon is een franse ezel"  En luid grinnikend liep hij door. Gelukkig had ik al wat franse les gehad, zodat ik begreep wat hij bedoelde. Toen al had ik bewondering voor de uiterst slimme wijze waarop hij zich uit een dilemma had gered. Maar Jot's uitspraak verbeterde niet!
Ik het een groot aantal van mijn verjaardagen in mijn jeugd in Vught gevierd. Een feest zeg. Kadootjes, dubbeltjes en een enkel kwartje. Korte tijd was ik een rijk man. Dikwijls waren ook Floor en Joke aanwezig, een uiterst beminnelijk stel. Ook Jan en Nell Vlekke waren er. Jan, gedrongen, dikke brilleglazen, leraar, iemand die je naar mijn gevoel voortdurend in de maling nam. Nell, nog uitbundiger dan Marie. Jan vond dat je op je verjaardag evenveel keer over 'n stoel moest springen als je jaren oud was. Het verband tussen het een en het ander ontging mij volkomen, maar omdat iedereen hem bijviel moest ik me wel aan die ceremonie onderwerpen.
En dan brak de kermis los. De paardetram reed met twee wagens en twee paarden, maar wij gingen dat eindje wel lopen. Mallemolens, draaimolens, aangedreven door paarden, schommels, schiettenten en de machtige stoomcaroussel. prachtig versierd en met een enorm groot orgel. In de draaimolen zitten was toch iets machtigs; boven op zo'n houten paard, teugels in de hand, keek je naar een almaar draaiende wereld om je heen en telkens kwamen dezelfde mensen weer langs. Verder waren er veel kramen met snoep. Zuurstokken en vooral kaneelstokken waren mijn favoriete lekkernijen. Je deed er zo lang mee en je kon er zo mooi een punt aan zuigen. Zonde om zo'n stok in een keer op te sabbelen: dus papiertje er omheen en de volgende dag weer verder.
1
2
Ongemerkt gingen de weken voorbij en voordat je er erg in had moest je weer naar huis. Paardetram, station, trein, onder de hoede gesteld van de conducteur en dan weer de lange reis terug. Als herinnering hadden we een bosje hei meegenomen, dat een paar dagen in de kamer stond maar op een mysterieuze wijze verdween ook die herinnering. Nou ja, volgend jaar kwam er weer een grote vacantie met opnieuw een tocht naar het vacantiehotel. Totdat op een dag in de Residentiebode het bericht stond, dat de fabriek was verkocht; er zou een kerk komen en er zouden woningen worden gebouwd. En dat was het definitieve einde van onze vacanties in Vught. Maar de herinneringen aan die vacanties zijn gebleven, zoals uit dit verhaal blijkt,

BEDANKT  MARIE

 

 

 

foto

foto

 

 

 

Home         

van der Vaart

Leuke site over Vught:    (externe link)

 

laatst bijgewerkt: 13-2-2010